Tulpenkoorts


Johannes Bosschaert (1606?-1629?), Stilleven met tulpen, Nationaal Museum, Stockholm

Het is lente en de tulpen staan in volle bloei in onze tuinen en parken. Hoewel de tulp oorspronkelijk niet uit Nederland afkomstig is, wordt hij wel geassocieerd met ons land, samen met klompen, molens en Goudse kaas. Nederlandse tulpen worden op grote schaal gekweekt, verhandeld en geëxporteerd. De bloeiende tulpenvelden achter onze Hollandse duinen trekken jaarlijks honderdduizenden bezoekers. In de zeventiende eeuw was er zelfs sprake van een heuse ‘tulpengekte’: een van de eerste goed gedocumenteerde economische bubbels, die – uiteraard – ook weer uit elkaar spatte. Toch bleven tulpen gedurende de hele zeventiende eeuw populair, ook in de schilderkunst.

 

In de Noordelijke Nederlanden valt na de Reformatie de kerk als grootste opdrachtgever weg. Zonder kerkelijke opdrachten gaan kunstenaars zich toeleggen op specialistische genres, zoals bijvoorbeeld landschappen, portretten, (kerk)interieurs, stads- en zeegezichten en stillevens, waaronder ook bloemstillevens. Het zijn relatief kleine werken van hoge kwaliteit, die enorm in trek zijn bij de rijke koopmanselite en dienen ter decoratie van hun nieuwe grachtenpanden. Dankzij de ontdekkingsreizen komen veel exotische planten in de vorm van stekken, zaden en bollen naar Nederland. Wetenschappers, botanici en verzamelaars leggen tuinen aan met bijzondere planten die van ver komen. De belangstelling hiervoor neemt in de zeventiende eeuw alleen maar toe, en men spreekt dan ook van een ‘botanische revolutie’.


Hortus Botanicus van de Universiteit Leiden (1644). Gekleurde ets en gravure door Willem Isaacsz. van Swanenburg naar J.C. Woudanus, uitgegeven door Claes Jansz. Visscher II

De ontwikkelingen van de natuurwetenschappen en de ontdekking van steeds weer nieuwe soorten, scheppen de behoefte om de natuur, en alle moois en bijzonders dat men daarin ontdekt – de zg. naturalia – zo levensecht als mogelijk weer te geven en vast te leggen. Dit gebeurt niet alleen in botanische albums, maar ook in bloemstillevens. Kunstenaars schilderen kleurrijke boeketten met een keur aan bloemen, die meestal niet in hetzelfde seizoen bloeien. Het zijn dan ook geen afbeeldingen van bestaande boeketten, maar composities waarvoor de nodige voorstudies in tuinen en kassen zijn gedaan. Opvallend hierbij is het hoge realiteitsgehalte.


Jacques de Gheyn II, Bloemen in een glazen fles (1612), Mauritshuis, Den Haag


Ambrosius Bosschaert I, Vaas met bloemen in een venster (ca. 1618), Mauritshuis, Den Haag


Clara Peeters, detail uit Bloemstilleven (ca. 1610), Metropolitan Museum of Art, New York

De tulp, vaak een opvallende aanwezige in deze bloemstukken, komt oorspronkelijk uit Kazachstan. Tulpenbollen worden al in de vijftiende eeuw door de Ottomanen meegenomen naar hun tuinen in Constantinopel (Istanbul), waar ze enorm populair worden – en nog steeds zijn.

Ondanks dat christelijke vorsten van Europa in die tijd voortdurend op voet van oorlog leven met islamitische Ottomaanse heersers, komen er toch regelmatig gezanten en handelsreizigers naar Constantinopel. Via deze reizigers bereiken de tulpenbollen verzamelaars en wetenschappers in ons land.

Wilde tulpen


Turks zeventiende-eeuws textiel met tulpmotief


Topkapi Paleis (v.a. 1459), Istanbul, Turkije. Tegels met tulpmotief

Eén van de belangrijkste wetenschappers in deze context is de edelman Carolus Clusius (1526-1609), geboren in Atrecht in het huidige België. Clusius is jurist, arts en botanicus en maakt lange reizen, waarvan hij allerlei plantenmateriaal meeneemt. Hij woont jarenlang in Wenen, waar hij een tuin aanlegt voor Keizer Maximiliaan II. Hij wordt in 1594 hoogleraar in Leiden en staat daar aan de wieg van de hortus botanicus van de jonge universiteit. Carolus Clusius is auteur van het standaardwerk Rariorum plantarum historia (Geschiedenis van Zeldzame Planten, 1601), waarin 1100 zeer nauwkeurige beschrijvingen en illustraties staan van talloze bijzondere planten. Clusius’ favoriete bloem is echter de tulp, en hij ontwikkelt zich tot een centrale figuur in een uitdijend netwerk van enthousiaste tulpenkwekers en -verzamelaars.


C. Clusius, Tulp, uit Rariorum plantarum historia (Geschiedenis van Zeldzame Planten) (Antwerpen 1576) p. 511 (Univers.Bib. Leiden)

Clusius ruilt tulpenbollen en geeft er honderden weg. Hij is er sterk tegen gekant om planten en bollen als betaalde handelswaar te gebruiken. Nieuwe generaties liefhebbers beginnen in de eerste decennia van de zeventiende eeuw echter steeds meer speculatief te handelen in bloembollen, waaronder tulpenbollen. Hoe zeldzamer de variëteit, hoe meer vraag en hoe hoger de prijs. Er worden zelfs tulpenbollen uit verzamelaarstuinen gestolen, ook uit Clusius’ tuin. Geïllustreerde plantenalbums, zoals onder andere het Florilegium van Emanuel Sweerts (1612) en de Hortus Floridus (1614) van Crispijn van de Passe (1589-1670) waarin veel tulpensoorten staan afgebeeld, jagen de hebberigheid nog meer aan.

(Klik de plaatjes aan voor vergroting)

Het meest geliefd zijn de gestreepte en gevlamde tulpen. In feite is deze kleurvariatie het gevolg van een virusinfectie van de bol (mozaïekvirus). Een eenkleurige tulp kan het volgende jaar ineens een fantastisch patroon laten zien, dat echter lang niet altijd soortvast blijkt te zijn wanneer de tulp uit zaad vermeerderd wordt. Vegetatieve vermeerdering door bollen lukt beter, maar het virus kan de bol op den duur ook verzwakken. Het blijkt voor zeventiende-eeuwse kwekers een hele toer om een bol te leveren met de beloofde kwaliteit, kleur en tekening. In de tulpenboeken, die in de vroege zeventiende eeuw in omloop zijn, staan honderden tulpensoorten met eigen namen, die echter zeer waarschijnlijk variaties van één en dezelfde soort zijn.

(Klik de plaatjes aan voor vergroting)

Tegenwoordig worden tulpen met zulke bizarre patronen ‘Rembrandt Tulpen’ genoemd. Eigenlijk vreemd, want naar mijn beste weten is de enige ’tulp’ die Rembrandt ooit schilderde een man. Rembrandt tulpen zijn relatief nieuwe kweekvormen en zij hebben hun fraaie tekening niet te danken aan een virus. De zeventiende-eeuwse soorten uit de tijd van de tulpenkoorts zijn verdwenen, op één soort na, de ‘Zomerschoon’, die wél virus-geïnfecteerd is. Deze tulp wordt  dus al gedurende meer dan 400 jaar gekweekt – zij het nu nog slechts mondjesmaat. Een bijzondere prestatie.


Tulp Zomerschoon

Het is vooral die gevlamde tulp, in honderden variëteiten, die we zien in geschilderde boeketten. Dergelijke boeketten hebben vaak een christelijke moraliserende lading: de bloemen vertegenwoordigen enerzijds de schoonheid der dingen en de geneugten van het leven, maar anderzijds ook de vergankelijkheid ervan: vanitas (‘ijdelheid der ijdelheden’) en memento mori (‘gedenk te sterven’). Vluchtigheid wordt uitgebeeld door afgevallen of bijna uitgebloeide bloemen en schadelijke insecten als de vlieg. Een fraai thema in de context van de tulpenkoorts. Een vlinder wijst daarentegen op nieuw leven.


Ambrosius Bosschaert de Jonge, Bloemstilleven (1635), Centraal Museum, Utrecht


Ambrosius Bosschaert de Oude, Glazen vaas met vier tulpen (ca. 1615), Museum Bredius, Den Haag


Jan Brueghel de Oude, Wan-Li vaas met bloemen (ca. 1610-15), Mauristhuis, Den Haag


Hans Bollongier, Stilleven met bloemen (1639), Rijksmuseum, Amsterdam

In de loop van de jaren 1630 is het kweken en verhandelen van bijzondere bolgewassen bijzonder interessant en winstgevend geworden. Kwekers en handelaars zijn vooral te vinden in de gegoede middenstand en daarnaast in de hogere klassen. In de steden ontstaan centra van tulpenhandel.


Frans Hals, Portret van Nicolaes Pietersz Tulp (1644), Six Collectie, Amsterdam

De Amsterdamse burgemeester en arts Nicolaes Pietersz (1593-1674) is één van de drijvende krachten achter de Amsterdamse hortus botanicus, en bovendien liefhebber van tulpen – al lijkt hij als streng calvinist niet besmet te zijn geweest met de ‘tulpenkoorts’. Het uithangbord bij zijn praktijk, de zijkant van zijn koetsje en zijn zegel laat hij decoreren met een tulp. Het duurt niet lang, tot hij ‘Tulp’ als achternaam gaat gebruiken. Hij is de arts op Rembrandts Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp uit 1632.


Rembrandt van Rijn, De anatomische les van Dr Nicolaes Tulp (1632), Mauritshuis, Den Haag

Tulpen worden per bol, maar ook in toenemende mate per gewicht (ponden, of ‘azen’; 1 pond = 10240 aas = ongeveer 15 bollen) verhandeld. Vanaf het najaar van 1636 vertienvoudigen de prijzen van sommige tulpenbollen. Een pond Geele Croonen stijgt van 24 naar 1200 gulden; een pond Switsers van 60 naar 1800 gulden. Eén zeventiende-eeuwse gulden zou tegenwoordig ongeveer 14 euro waard zijn, dus een pond Switsers zou dan €16800,= kosten. Bedenk hierbij dat het daglonersinkomen in die jaren rond de 18-25 stuivers (uit de gulden) ligt. Begin februari 1637 ligt de gemiddelde prijs voor een tulpenbol rond de 800 gulden – bijna twee jaarlonen van een Leidse meester-timmerman.


Crispijn van de Passe (II) (toegeschreven aan), Flora’s Mallewagen (1637), Rijksmuseum, Amsterdam

Crispijn van der Passes Flora’s Mallewagen (1637) is een van de vele spotprenten op de uit de hand lopende tulpenhandel. De koorts loopt op en het gaat duidelijk de verkeerde kant op. De wagen stevent af op de woeste branding van de zee en onder de wagen liggen vertrapte tulpenbollen. Danckerts Floraes Gecks-kap (1637) vermeldt bovendien:

“Afbeeldinge van ’t wonderlijcke Jaer van 1637 doen [toen] d’eene Geck d’ander uytbroeyde, de Luy Rijk sonder goet, en Wijs sonder verstant waeren.”


Floraes Gecks-kap van Cornelis Danckerts naar een tekening van Pieter Nolpe (1637)

De prijsstijgingen verleiden handelaars ertoe om bollen in hoog tempo door te verkopen, waarbij een slimme en snelle handelaar in een paar dagen een flinke winst kan maken. Soms worden tulpenbollen al verhandeld vóór ze uit de grond zijn en vóór duidelijk is of het wel om de gewenste kleur gaat. Betaling zou dan plaatsvinden als de bol in kwestie in bloei staat en wanneer zeker is dat het om de goede variëteit gaat. Ook vindt er windhandel plaats door middel van zogenoemde ‘Coopcedullen’, ofwel koopbriefjes. Prijzen stijgen in februari 1637 vervolgens zo snel, dat dezelfde bol ’s avonds al een veelvoud waard is van zijn ochtendwaarde. Het is allang niet meer een handel van kwekers en liefhebbers, maar van speculanten. Op 5 februari 1637 worden zo exorbitante bedragen voor tulpenbollen gevraagd en geboden, dat de Alkmaarse onderwijzer en geschiedschrijver Cornelis van der Woude († 1645) een prijslijst publiceert in zijn Tooneel van Flora.


Lijst van eenighe Tulpaen, uit Ioost Broersz., Toneel van Flora, etc. (Amsterdam, 1637)


Tulp Viceroy (uit een tulpenboek van 1640-50)

Een van de meest geliefde tulpen is de Viceroy. Op 5 februari 1637 worden maar liefst bedragen van FL 3000,= en  Fl. 4200,= op één bol geboden. Waarschijnlijk is deze bol nooit verkocht want de volgende dag stort de markt in.


Plaat IV, Sinnepoppen (Roemer Visscher, prenten Claes Jansz Visscher), Amsterdam 1614

“Een dwaes en zijn gelt zijn haest [snel] gescheijden.”

De  markt wordt uiteindelijk zo instabiel dat het potentiële kopers afschrikt. Dan heerst er in de jaren 1635-1637 ook nog eens de pest. Deze meestal dodelijke ziekte wordt in veel kringen gezien als een straf van God voor het zondige leven van mensen. Er wordt gesuggereerd dat de pest ontstaat uit ‘kwade, stinkende lucht’, die mensen naar het hoofd stijgt en tulpenkoorts veroorzaakt.


Troostbrief, aen alle bedroefde bloemisten die treuren over ’t sterven oft ’t overlijden van Flora, godinne der floristen. Passchiers van Wesbusch, Haerlem 1637.

“Troostbrief, aen alle bedroefde bloemisten die treuren over ’t sterven oft ’t overlijden van Flora, godinne der floristen”

Hoe dan ook, na 5 februari 1637 blijven veel handelaars met hun bollen zitten, óók de bollen die al ‘verkocht’ zijn; kopers kunnen de enorme vraagprijzen niet meer betalen. De handel stokt, de prijzen komen in een vrije val en velen verliezen flinke sommen geld. De koorts zakt even snel als hij opkwam en de  bubbel implodeert.

Ondanks dit alles blijven tulpen na 1637 onveranderd populair onder kwekers, botanici, serieuze verzamelaars én kunstschilders, tot op de dag van vandaag.

In het museum De Zwarte Tulp in Lisse is tot 28 augustus van dit jaar de tentoonstelling ‘Tulpenkoorts 1636-1637. Het Ware Verhaal’ te zien.


Rachel Ruysch, Bloemstilleven (1716), National Gallery, Londen


Simon Verelst, Vaas met bloemen (z.j.), Ashmolean Museum, Oxford


Jean-Leon Gerome, Tulpengekte (1882), Walters Art Museum, Baltimore, VS


Claude Monet, Tulpenvelden bij Sassenheim (1886), Clark Art Institute, Williamstown Mass., VS

Bronnen (o.a.):
Henk Looijesteijn en Annemarie Vels Heijn, Tulpenkoorts 1636-1637. Mythe en werkelijkheid, Lisse 2023
Ariane van Suchtelen (red.), In volle bloei, Zwolle 2022.
Paul Taylor, Bloemstillevens in de Gouden Eeuw 1600-1720, Zwolle 1995.
Esther van Gelder (red.), Bloeiende kennis. Groene ontdekkingen in de Gouden Eeuw, Hilversum 2012
Hortus Bulborum collectie Rembrandt tulpen
https://amsterdamtulipmuseum.com/topics/the-tulip-diaspora/

Eén gedachte over “Tulpenkoorts

  1. De tulpengekte was me wel bekend, ik heb er verschillende historische romans over gelezen. Maar nu, met de prachtige afbeeldingen bij elkaar, zie je hoe belangrijk ze waren, ook of juist voor kunstenaars. bedankt Marijke. in mijn tuin zijn ze aan het uitvallen……Ach, hoe vluchtig.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *