Nog minder uit, nog meer thuis

Het duurt altijd langer dan je denkt, ook als je denkt, het zal wel langer duren dan ik denk, dan duurt het toch nog langer dan je denkt… citeerde Hugo de Jonge onlangs zeer toepasselijk uit Judith Herzbergs werk. Een verlengde lockdown, aangescherpte maatregelen, én een avondklok. De pandemie is nog lang niet voorbij, en we zullen de binnenkant van ons huis weer goed kunnen bestuderen, misschien tot vervelens toe – tenzij je er natuurlijk van houdt om thuis te zijn en binnen te zitten.


Edouard Vuillard, Misia in een chaise longue (1900), The Israel Museum, Jerusalem

Er waren in de kunstgeschiedenis overigens regelmatig perioden dat, om diverse redenen, kunstenaars hun toevlucht zochten tot de veilige, beschutte intimiteit van het thuis. In dit blog handelt het niet om een Britse, maar een Franse variant, met een rijke stoffering, een mystieke sfeer, en vrouwen als behang. Maak kennis met de Nabis en het intimisme.

 

Een slordige honderddertig jaar geleden, in het fin-de ciècle van de negentiende eeuw, steken in toenemende mate allerlei pessimistische sentimenten de kop op. Het eind van een eeuw van revoluties en oorlogen kenmerkt zich door decadentie en verval, maar ook door verzet tegen het doorgeslagen rationalisme en positivisme van industrie en wetenschap. Er ontstaat een hang naar een geïdealiseerd verleden en een verlangen naar een verloren paradijs. Er heerst bovendien een toenemende belangstelling voor allerlei esoterische stromingen, het onderbewuste en psychoanalyse (Freud!).

Jonge kunstenaars verzetten zich tegen het traditionele academisme, dat zij als te dwingend, te uitsluitend technisch, te koud en te weinig doorvoeld beschouwden. Zelfs het relatief moderne impressionisme wordt beschouwd als een vorm van naturalisme zonder inhoud. In het Parijs van 1889 slaat op een goede dag de bliksem in bij een groepje jonge kunstenaars, die elkaar hebben leren kennen op de Académie Julian – een alternatief voor de ‘officiële’ Académie des Beaux Arts. Bij een expositie in 1889 in Grand Café Volpini zien zij namelijk het werk van Paul Gauguin (1848-1903), vormen vervolgens onder leiding van Paul Sérusier (1864-1927), leerling van Gauguin, een artistiek genootschap, en noemen zich Les Nabis, de Profeten.

Paul Gauguin, De mangoplukkers (1887), Van Gogh Museum, Amsterdam. Dit werk was te zien bij Volpini in 1889.

Paul Serusier, De wasvrouwen (1892), Musée d’Orsay, Parijs

De Nabis willen de wereld mooier maken door de grenzen te slechten tussen kunst en het gewone, dagelijkse leven. Dit verklaart hun belangstelling voor het alledaagse, het beslotene en intieme van het leven in huis en tuin. Het wekt dan ook geen verwondering dat veel Nabis zich, behalve met schilderen, ook bezig houden met decoratie, toegepaste kunsten en interieurdesign, en actief zijn in de Art Nouveau beweging. Maar dat is niet alles.

De Nabis beschouwen het gewone, dagelijkse doen als een reeks riten, waarin zelfs lezen en handwerken de waarde krijgen van heilige handelingen. Zij zoeken naar een diepere waarheid achter de dagelijkse dingen. De jonge schilders noemen zich half in ernst, half gekscherend een ‘geheim genootschap’, en beschouwen hun plaats van samenkomst, het atelier van Paul Ranson, als hun Tempel, met Ranson’s beminnelijke vrouw als ‘de sublieme incarnatie van het eeuwig vrouwelijke’.


Maurice Denis, Portret van Mme Ranson, met kat (1892), Museum Maurice Denis, Saint-Germain-en-Laye (F)

Het waren ‘baardige hippies met idealen en een grote concentratie van artistiek talent, voortzetters van de oude Franse traditie met nieuwe middelen’ (Mariëtte Haveman, 2012). Vandaar dat deze stroming ook wel ‘neo-traditionalisme’ wordt genoemd. De Nabis zetten hun schilderkunst in als expressiemiddel voor persoonlijke emoties en spirituele, hogere waarheden. Zij beschouwen een schilderij niet als een directe weergave van de werkelijkheid, maar een weergave van het effect dat die werkelijkheid op hen heeft. Het werk van de Nabis heeft daarmee expressionistische aspecten, maar is ook verwant met het symbolisme. Zij ontwikkelen een eigentijdse, moderne beeldtaal, en zijn zeer productief. Hun schilderijen kenmerken zich door vlakke composities, een expressionistisch palet, en een dromerige, vaak enigszins onaardse sfeer. De belangrijkste Franse vertegenwoordigers van de Nabis zijn Paul Sérusier (1864-1927), Paul-Elie Ranson (1861-1909), Pierre Bonnard (1867-1947), Éduard Vuillard (1868-1940), Maurice Denis (1870-1943), Ker-Xavier Roussel (1867-1944) en Félix Vallotton (1865-1925). In Nederland valt Jan Verkade (1868 – 1946) onder het gedachtengoed en de stijl van de Nabis te scharen.

De Nabis lieten zich overigens ook graag inspireren door de in die tijd razend populaire Japanse prentkunst.

         
Twee houtsnedes van Utagawa Hiroshige, ca. 1845-50.

Onderstaande werken van Bonnard en Vuillard vertonen duidelijk de invloed van dit zg. japonisme. Het lijkt hier niet zozeer om de persoonlijkheid van de vrouw te gaan, maar meer om de decoratieve waarde van wat zij aan heeft – getuige ook sommige titels: de vrouw als ‘Gebloemde jurk’ of ‘Kamerjas’.


Pierre Bonnard, De kamerjas (1892), Musee d’Orsay, Parijs

Pierre Bonnard, Vrouwen in de tuin (1890-91), Kunsthaus Zürich


Edouard Vuillard, De gebloemde jurk (1891), Sao Paulo Museum of Art, Brazilië

De Nabis groep is echter niet zo hecht dat zij een lang leven beschoren is. Vuillard en Bonnard verzetten zich in toenemende mate tegen de in hun ogen hoogdravende filosofieën en theorieën van Sérusier en Dénis, en de exotische taferelen van Gauguin. Zij vertonen een groeiende, escapistische belangstelling voor het huiselijke en intieme als thema, en ontwikkelen een specifieke stijl die intimisme genoemd wordt. Deze stijl kenmerkt zich formeel gezien door een overdreven nadruk op decoratieve patronen en kleur’tapijten’. Interessant aspect hierbij is, dat Vuillards moeder een naaiatelier had, en dat zijn grootvader van moederskant textielfabrikant was, zodat hij  omringd door de rijk gedecoreerde mode- en interieurstoffen van die tijd opgroeide. Zijn relatief kleine, intimistische schilderijen passen dan ook prima in de weelderige interieurstijlen van deze tijd.


Édouard Vuillard, Intimiteit (1896), Petit Palais, Parijs

Vuillards werken zijn intrigerende, bonte tapijten van kleur, in een beheerst maar tegelijk lyrisch palet van warme, zachte tinten die de intieme sfeer benadrukken. Hij toont ons een claustrofobische werveling van decoratieve patronen, waarbij het onderscheid tussen voor- en achtergrond geheel wegvalt. De figuren, meestal vrouwen, worden door hun even rijk gedecoreerde jurken daardoor haast deel van het behang. Er zijn kleine, raadselachtige maar wellicht betekenisvolle details: lichtplekjes, een handgebaar, een deur die op een kier staat. Fysieke en emotionele ruimte vloeien als het ware in elkaar over. De Franse auteur André Gide (1869-1951), van wie ook de term intimisme afkomstig is, omschreef Vuillards werk als volgt: ‘…hij spreekt met een enigszins zachte stem, die past bij het uitwisselen van vertrouwelijkheden…’


Edouard Vuillard, Interieur, de naaikamer (1893), Vuillard College Muiseum of Arts, Massachusets, US


Edouard Vuillard, De aardenwerken pot (1895), part. coll.


Edouard Vuillard, De toilettafel (1895), part. coll.

Pierre Bonnards intimistische werken vertonen zowel overeenkomsten als verschillen met die van Vuillard.  Zijn werk is aanvankelijk wat rustiger van aard en minder claustrofobisch dan dat van Vuillard, zijn composities eenvoudiger, zijn palet wat lichtvoetiger. De intieme sfeer is echter hetzelfde.


Pierre Bonnard, Vrouw in geruite bloes (1894), Musée d’Orsay, Parijs


Pierre Bonnard, Vrouw die haar voeten wast (1894), part. coll., voormalig Samuel Josefowitz Collectie


Pierre Bonnard, Eetkamer van Grand-Lemps (1899), Hungarian National Gallery

Edouard Vuillard, die zich – niet gehinderd door bezoekbeperkingen of avondklok – enthousiast en gemakkelijk in de kringen van de gegoede burgerij beweegt, zal zich na 1900 meer gaan richten op muurschilderingen en portretten. Pierre Bonnard is echter een Einzelgänger en blijft het liefst thuis. Hij ontwikkelt in de loop der jaren een geheel eigen intimistische stijl, los van de avant-gardistische mode van de dag, die hij niet kan, maar ook niet wíl bijhouden. Zijn palet wordt helderder, lichter, en hij glorieert in gewaagde, sprankelende kleurharmonieën.


Pierre Bonnard, Eetkamer op het platteland (1913), Minneapolis Institute of Art


Pierre Bonnard, Interieur met bloemen (1919), part. coll.


Pierre Bonnard, De eetkamer, Vernon (1925), Ny Carlsberg Glyptotek

Een opvallend deel van zijn werk is echter gewijd aan een badende vrouw. Bijna obsessief schildert hij zijn muze, geliefde en latere echtgenote, Marthe de Méligny (1877-1942). De vele naaktfoto’s die hij van Marthe maakt, dienen hierbij als verkennende ‘notities’. Schilderen doet hij principieel uit zijn geheugen.

         
Pierre Bonnard, Marthe in bad (1908), foto
Pierre Bonnard, Vrouw knielend in bad (1913), part. coll.


Pierre Bonnard, Vrouw stapt uit bad (1925), part. coll.


Pierre Bonnard, Naakt in het bad (1936-38). Musée d’Art Moderne de la Ville de Paris

Pierre Bonnard, Naakt in het in bad (1941-46), Carnegie Museum of Art, Pittsburgh (US)

Bonnard schildert Marthe jarenlang, badend, wassend, zich verzorgend, zonder gelaatstrekken, eeuwig jong, in een bijna anonieme vrouwelijkheid. Er zit een zekere ‘gepassioneerde claustrofobie’ in deze badkamerscenes. In de intieme setting van de badkamer heeft Bonnard zich Marthe als het ware met zijn blik toegeëigend, en is in het diepst van haar intimiteit doorgedrongen als degene die haar het beste kent. Door haar echter te blijven afbeelden als een gezichtsloze en leeftijdsloze vrouw, als een kleurvlek in een werveling van kleurvlekken om haar heen, heeft hij haar tegelijk gedepersonaliseerd. Hierin zit iets dubbelzinnigs: de vrouw als artistiek interessant ‘vlak’, als jurk, als behang … terwijl de man toekijkt. Maar dit laatste is weer een heel ander verhaal.

Geraadpleegde bronnen (o.a.):
Julian Bell, Bonnard, Londen 1994
Arthur Ellridge, Gauguin and the Nabis. Prophets of Modernism, Parijs 2001
Mariëtte Haveman (red.), ‘Moderne paradijzen. Nabis als peintres-décorateurs 1890-1910’, Kunstschrift (2012) 2
F. Heilbrun, P. Néagu, Pierre Bonnard, Photographs and Paintings, New York 1988
Dustin Illingworth, ‘At Home with the Intimists’, Lapham’s Quarterly 9 (2018), [URL: https://www.laphamsquarterly.org/roundtable/home-intimists, geraadpleegd op 20-01-2021]
https://museeduluxembourg.fr/

 

12 gedachten over “Nog minder uit, nog meer thuis

  1. Mooi stuk weer! Alleen dat vrouwen als onderdeel van t behang / versiering staat me beetje tegen.. 😉

  2. Fijn om weer te kijken en te lezen Marijke!
    Vooral het licht van Pierre Bonnard vind ik erg mooi!

    Dankjewel !
    Liefs,Froukje.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *