Kunst in tijden van ziekte en oorlog

We leven in bijzondere tijden, maar is er zoveel nieuws onder de zon? Alle plagen van Egypte, de pest, mazelen, ebola, noem maar op, we hebben het allemaal gehad, en nóg komt het voor. Het verschil met eerdere epidemieën is wellicht dat de stand van wetenschap en techniek in deze tijd verder is dan ooit in het ontwikkelen van adequate oplossingen, en dat stemt op zijn minst hoopvol. Dankzij supersnelle communicatiemiddelen zijn we bovendien steeds onmiddellijk op de hoogte van de actuele toestand en kunnen (moeten!!) ons gedrag daarop aanpassen.

J.W. Waterhouse, A Tale from the Decameron (1916), Lady Lever Art Gallery, Nat. Mus. Liverpool

Wat heeft dit nu met kunst te maken? Zoals gezegd zijn rampen en epidemieën van alle tijden – dat is overigens geen reden om dergelijke gebeurtenissen te bagatelliseren, integendeel. In deze angstige corona-tijd ontstaan echter ook veel prachtige, creatieve initiatieven: zang en muziek op balkons, spontane hulpacties, online concerten, gratis maaltijden voor eenzame ouderen, en noem maar op. Weer is er niets nieuws onder de zon: denk maar eens aan de prachtige, hilarische, ondeugende, en ontroerende Decamerone, het meesterwerk dat de veertiende-eeuwse Italiaanse schrijver Giovanni Boccaccio (1313-1375) schreef, naar aanleiding van de pestepidemie van 1348. Decamerone is een raamvertelling, waarin tien jongelui, die Florence ontvlucht zijn vanwege de pest, in een dolce far niente op het platteland verblijven en uit verveling elkaar uitdagen om de beste verhalen te vertellen.

Antoine-Jean Gros, Napoleon bezoekt het pesthuis in Jaffa (1804). Louvre, Parijs

Dat is heel wat aangenamer dan wat toen-nog-generaal Napoleon Bonaparte in 1799 deed. Zijn poging om Egypte in te nemen was mislukt, waarna hij zijn legers naar het huidige Israel en Syrië voerde. Daar richtte hij een bloedbad aan in het Syrische Jaffa, waarna de pest uitbrak onder zijn soldaten. Hij bezocht zijn manschappen in Jaffa, in een als militair hospitaal gebruikte moskee. Overigens werd Napoleon ervan beschuldigd dat hij zijn doodzieke mannen daar wilde achterlaten, zelfs wilde laten executeren. Anderen beweerden dat hij juist het moreel van zijn troepen kwam opvijzelen. Napoleons bezoek aan het pesthuis van Jaffa werd vereeuwigd door de Franse schilder Antoine-Jean Gros (1771-1835), op een gigantisch doek van 5,23 x 7,15 meter. We treffen Napoleon aan op de binnenplaats, te midden van een groep ernstig zieke mensen. Een aantal van hen ligt meer dood dan levend op de grond. Napoleon, op wie alle blikken gericht zijn en wiens gelaat het helderst verlicht wordt, stelt zich hier op als een onaantastbare leider. Net als Christus tussen de zieken en mismaakten in Rembrandts Honderdguldenprent (ca. 1650), maar dan zonder diens genezende gaven, raakt Napoleon onbevreesd de dodelijk besmette slachtoffers aan, ondanks dat men hem daarvan probeert te weerhouden. En dat alles in een tijd zonder mondkapjes en beschermende kleding, laat staan ic-afdelingen.

Rembrandt van Rijn, Predikende Christus (Honderdguldenprent) (1645-1650), Rijksmuseum

Het is dan ook onzin. Napoleon was net zo min immuun voor de pest als ieder ander, en wat hier wordt afgebeeld heeft uiteraard nooit op deze manier plaats gevonden. Voor Napoleon was dit schilderij letterlijk en figuurlijk een enorme publiciteitsstunt die zijn moed en deugdzaamheid moest illustreren, want hoe moet je anders al die bloedige oorlogen rechtvaardigen? Het schilderij van Gros werd in 1804 op de jaarlijkse Parijse Salon tentoon gesteld en was een groot succes. Kort daarna riep Napoleon zichzelf tot keizer uit. Het werk van Gros is het eerste in een serie megalomane Napoleontische meesterwerken die tussen 1804 en 1815 door verschillende schilders werd gemaakt.

Käthe Kollwitz, Moeders (1919), Käthe Kollwitz Museum, Berlijn

Vervolgens bekijken we de sobere krijttekeningen en grafische werken van de Duitse kunstenares Käthe Kollwitz (1867-1945). Kollwitz raakte in haar studietijd in Berlijn en München geïnteresseerd in sociale vraagstukken en in de vrouwenbeweging, en zij had aanvankelijk duidelijk revolutionaire sympathieën. Haar belangstelling vertaalde zij in haar werk: tekeningen en grafiek in een robuuste stijl die de invloed verraadt van de anti-burgerlijke esthetiek van de negentiende-eeuwse realisten en naturalisten. Pas na haar huwelijk met een arts, waardoor zij  direct in aanraking kwam met ziekte en schrijnende armoede onder de arbeiders, gebruikt zij haar werk als aanklacht tegen sociaal-maatschappelijke misstanden. In de Eerste Wereldoorlog, waarin één van haar zoons op het slagveld omkomt, slaat haar revolutionaire passie om in een minstens zo bevlogen pacifisme.

Kollwitz toont ons diep-doorvoelde, sobere taferelen en portretten van arbeiders, arbeidersvrouwen en kinderen in crisistijd, moeders met doodzieke, of zojuist overleden kinderen, oude, versleten, wanhopige vrouwen. Haar oeuvre vormt één van de sterkste aanklachten tegen de armoe en ellende onder de arbeidersbevolking en een vlammend protest tegen de verschrikkingen van de oorlog. De ironie wil, dat Kollwitz in haar tijd veel opzien baart met haar werk omdat haar (mannelijke) collega’s het zo krachtig, zo ‘mannelijk’ vinden – dat verwacht men niet van een vrouw. Maar juist die inderdaad bijzonder krachtige werken met moeders en kinderen overstijgen alle sociaal-maatschappelijke, politieke, nationale (nationalistische, zo je wilt) sentimenten en sekse-classificeringen. Hier toont Kollwitz ons beelden die voor ieder mens herkenbaar zijn: ziekte, dood, lijden, angst en verdriet. Geen stoer vertoon van macht tegenover ziekte en ellende, géén ronkende (beeld)taal, maar diepgevoelde medemenselijkheid.

Het is echter niet louter somberheid bij Kollwitz. Haar werk heeft – gelukkig – ook een andere kant, en die komt tot uiting in een klein handje vol vrolijke taferelen en liefdesscenes. Het zijn sobere, maar tegelijkertijd sprankelende schetsen vol van levensvreugde, en dit vormt een prachtig contrast met haar andere werk. Het is ook kunst die troost biedt bij ziekte, angst, en eenzaamheid. En dat is precies wat we nu juist zo hard nodig hebben.


Käthe Kollwitz, Liefdespaar (ca. 1909), Käthe Kollwitz Museum, Berlijn


Käthe Kollwitz, Moeder en kind (ca. 1932), Käthe Kollwitz Museum, Berlijn

 

Geraadpleegde bronnen:

Petra ten-Doesschate Chu, Nineteenth-Century European Art, Upper Saddle River (NJ) 2006
Hannelore Fischer (red.), Käthe Kollwitz, Meisterwerke der Zeichnung, Keulen 1995
Angela Moorjani, ‘Käthe Kollwitz on Sacrifice, Mourning and Reparation: an Essay in Psychoaesthetics’, MLN 101 (1986), 1110-1134  (www.jstor.org/stable/2905713)

Afbeeldingen:

Website van het Louvre, Parijs
Website van het Käthe Kollwitz Museum, Berlijn
Website van het Rijksmuseum, Amsterdam
Wikimedia

23 thoughts on “Kunst in tijden van ziekte en oorlog

  1. Wat mooi, zo geraakt door de krijttekeningen van Kàthe Kolllwitz.

  2. Mooi, Marijke! Een genot om te lezen en naar te kijken.
    xxx

  3. Geweldig Marijke, leuk om te lezen , ga zo door. Kreeg het doorgestuurd van hans

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *